De Pyreneeën over: 1150 meter stijgen en daarna weer 250 meter dalen. Ik was vooraf best bang voor deze etappe. Gaan we (lees Ineke) dat wel redden? Maar het was heel goed te doen! Blijkbaar hebben we de afgelopen maanden een geweldige conditie opgebouwd. Zelfs mijn oude heup is vergeten dat hij ooit problemen had.
Er hangt een vrij dichte mist in St. Jean Pied de Port bij het vertrek. Maar al vrij snel zien we de zon er doorheen komen. En opeens lopen we boven de mist. Dat levert prachtige uitzichten op. Onder ons ligt het dal nog vol met mist, en wij lopen daarboven in de zon. Het is zo mooi!

De eerste 8km stijgt de weg het snelst. We lopen rustig en gestaag omhoog. Voor we er erg in hebben zijn we al in Orison. Er is daar een refuge, met een bar. We zitten er even heerlijk op het terras, met een kop koffie.
Daarna stijgen we weer door. We komen steeds hoger. En wij niet alleen. Er lopen honderden rugzakkers; een lang lint van mensen. Wat een verschil met onze tocht door Frankrijk, waar we sommige dagen wel eens een paar andere lopers zagen. Echter vaak genoeg waren we de enigen.
Ergens zien we een kudde schapen de weg oversteken. En vaak horen we de koebellen of paardenbellen (er zijn hier ook vrijlopende paarden met een bel om de nek).
Later op de ochtend is ook de mist in de dalen achter ons verdwenen. Nog steeds zijn de uitzichten geweldig.

We passeren de Spaanse grens, aangegeven door een grote grenssteen van de provincie Navarra.
We bereiken het hoogste punt van de tocht: een pas van 1430 meter.
En daarna gaan we vrij snel, en heel erg steil omlaag. Dat is het lastigste deel van vandaag. Dat voelen de bovenbeenspieren wel! Na een kilometer gaat het rustiger omlaag. We lopen door een oud beukenbos, waar de herfst zijn intrede al heeft gemaakt.
Bijna op het einde van de route van vandaag staat een gedenksteen voor een pelgrim uit Brazilië, die hier in 2013 is omgekomen. Hij is niet de enige die op deze etappe is omgekomen; het gebeurt veel vaker.
Snel daarna zien we het indrukwekkende klooster van Roncesvalles liggen. Daar overnachten we deze keer. Er is hier een grote pelgrimsherberg, met 223 (!) bedden.

Tot een paar jaar geleden was de herberg in het oude klooster. Nu is er een perfect nieuw gebouw. De herberg wordt gerund door Nederlandse vrijwilligers. Alles is er goed geregeld. De bedden zijn verdeeld over drie verdiepingen. Er zijn steeds twee stapelbedden bij elkaar, die worden afgeschot met houten zijwanden van de rest van de zaal. Wij delen onze ruimte met twee jonge Koreanen. Per bed is er een locker, waar je je spullen afgesloten in kunt opbergen.
En je kunt hier zelfs je was afgeven, en een paar uur later droog weer ophalen.
Om zes uur is er een rondleiding door de kerk (er is een Duitse mis gaande), de kloostergangen, de Jacobuskapel, het museum en de silo. Dat laatste is de begraafplaats. Op de onderste laag liggen de gevallenen van de slag in 778. Roland -uit het Rolandslied-, commandant van Karel de Grote, is hier gevallen in zijn strijd tegen de Basken. Verder zijn er door de eeuwen heen gestorven pelgrims begraven. En het is ook de begraafplaats voor de mensen uit Roncesvalles.
Na de rondleiding gaan we naar een restaurant in de buurt, waar we het pelgrimsmenu eten.
Op zoek naar WiFi drinken we ‘s avonds koffie in de bar van een hotel.








































